De Heidelbergse Catechismus

Zondag 7

[INTRO: Zondag 1-4 leerde de ellende: Adam maakte kapot wat goed was. Zondag 5-6 leerde de verlossing: God gaf JEZUS; en Jezus maakte goed wat kapot was. Maar hoever reikt deze verlossing? Is dan voor iedereen alles zomaar weer goed…?]

Vraag 20
We zagen dat – door de zonde van Adam – álle mensen Gods veroordeling verdienen.
Maar betekent dat nu ook dat – door de verlossing van Jezus – álle mensen Gods zaligheid ontvangen?

Antwoord
Nee, Gods zaligheid is alleen voor hen, die door echt geloof worden ingelijfd in Christus en die al Zijn geschenken aannemen.

Vraag 21
Maar wat ís dan ‘echt geloof’?

Antwoord
Als ik echt geloof…

  • dan ben ik er vast van overtuigd dat alles wat God ons in de Bijbel bekendgemaakt heeft betrouwbaar is;
  • en dan heb ik ook het volste vertrouwen, dat God niet alleen aan anderen genadig is, maar ook aan míj. Op grond van de verdienste van Jezus geeft God Zijn vergeving en verzoening en zaligheid ook aan míj. Dat vertrouwen wekt de Heilige Geest in mij op door de blijde boodschap van de Bijbel.

Vraag 22
Maar wat moet je als christen dan allemaal geloven?

Antwoord
Ik mag ALLES geloven wat in de Bijbel wordt beloofd!
(Daarin word ik geholpen door de ‘Apostolische Geloofsbelijdenis’. Die geeft mij in twaalf hoofdpunten een prachtige samenvatting van de blijde boodschap van de Bijbel.
Deze geloofsbelijdenis verbindt mij ook met andere christenen, want dit geloven wij wereldwijd zonder twijfel!)

Zondag 5 en 6

[INTRO: Vanuit Zondag 2-4 ziet het er voor de mens heel donker uit: want door de zonde heb je Gods oordeel over jezelf afgeroepen. Kun jij ooit verlossing vinden? Met deze vraag opent het tweede hoofddeel: de Verlossing (Zondag 5-31).]

Vraag 12
Volgens Gods rechtvaardige oordeel heb jij Zijn directe en Zijn eeuwige straf verdiend. Maar is er voor jou ook een mogelijkheid om aan Gods straffen te ontkomen en van Hem genade te krijgen?

Antwoord
Nou, God houdt vast aan Zijn rechtvaardige oordeel. Daar valt niet op af te dingen. God eist voldoening van de schuld – hoe dan ook: door mij of door een ander.

Vraag 13
Zou jijzelf jouw schuld kunnen afbetalen?

Antwoord
Nee, dat is absoluut onmogelijk. Hoe goed ik ook probeer te leven, ik maak de schuld elke dag alleen maar groter in plaats van kleiner.

Vraag 14
Zou een ander schepsel jouw schuld kunnen afbetalen?

Antwoord
Nee, ook dat kan niet:

  • God vindt het niet rechtvaardig om de schuld van de mens op een ander schepsel af te wentelen.
  • Daarbij zou geen schepsel de toorn van God kunnen verdragen zonder er onder te bezwijken. Zo zou hij niet al onze schuld volkomen kunnen voldoen en mij niet kunnen verlossen.

Vraag 15, 16, 17
Maar wat voor Middelaar zou jou dan wèl kunnen verlossen?

Antwoord

  1. Hij moet – net als ik – een echt mens van vlees en bloed zijn; omdat Gods recht eist dat de mensen zèlf betalen voor hun schulden.
    Maar Hij moet dan wel een rechtvaardig mens zijn: zonder zonde; omdat een mens die zelf zondaar is, de schuld niet eens voor zichzelf kan afbetalen, laat staan voor mij.
  2. Maar tegelijk moet Hij ook echt God zijn. Geen mens kan immers Gods toorn over alle menselijke schuld verdragen. Om ook anderen dan zichzelf te kunnen redden, moet Hij sterker zijn dan alle schepselen: Hij moet beschikken over Gods kracht – en echt God zijn.

Alleen zó kan Hij Gods genade voor mij verdienen en mij het leven met God teruggeven, dat ik verloren had.

Vraag 18
Jouw Verlosser moet dus een Middelaar zijn, die tegelijk God en tegelijk een echt en rechtvaardig mens is. Maar ís er zo Iemand?

Antwoord
Ja, dat is mijn Heere Jezus Christus!

Hij is door God aan mij gegeven.
Hij onderwijst mij,
Hij spreekt mij vrij,
Hij vernieuwt mijn leven en Hij zal mij eens volkomen verlossen! (zie 1 Kor. 1:30)

Vraag 19
Hoe kun jij dat allemaal weten?

Antwoord
Dat is de blijde boodschap die God zèlf bekend maakt:

  • dit evangelie heeft God meteen na de zondeval geopenbaard in het paradijs;
  • daarna heeft Hij het laten verkondigen door de aartsvaders en de profeten; terwijl ook de offers en de tabernakel- en de tempeldienst daar al naar verwezen;
  • tenslotte heeft Hij het helemaal vervuld, toen Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, tot een volkomen verzoening van ook mijn zonden.

Zondag 4

[INTRO: Zondag 2 leert dat God liefdevolle gehoorzaamheid van jou vraagt, terwijl Zondag 3 leert dat je dat uit jezelf niet kan. Die combinatie lijkt te schuren…]

Vraag 9
Maar als jij uit jezelf de geboden van God onmogelijk kunt volbrengen, is het dan niet onrechtvaardig van God, dat Hij van jou wel de gehoorzaamheid aan die geboden vraagt?

Antwoord
Nee, zeker niet! Want God had Adam en Eva zó geschapen, dat zij zich welzeker aan Gods geboden konden houden. Maar, aangespoord door de duivel, werden zij opzettelijk ongehoorzaam. Zo hebben zij zichzelf – en ook hun nageslacht, en dus ook mij! – beroofd van het vermogen om gehoorzaam voor God te kunnen leven.

Vraag 10
Maar hoe zwaar wegen deze ongehoorzaamheid en ontrouw van jou?
Mag je er niet van uitgaan dat God ze bij jou wel onbestraft zal laten?

 

Antwoord
Nee, zeker niet! God kent hier juist heilige woede over. Daarom veroordeelt Hij:

  • zowel mijn aangeboren zondigheid
  • alsook mijn concrete zonden, die ik elke dag daadwerkelijk doe.

Hij bestraft die met een welverdiende straf:

  • nu al, in dit leven
  • maar ook later, na het sterven.

Dit heeft God al in de Bijbel aangekondigd, toen Hij zei:

‘Vervloekt is iedereen, die zich niet houdt aan wat in het boek van de wet geschreven staat.’ (Galaten 3:10; vergelijk Deuteronomium 27:26)

Vraag 11
Maar God is toch liefde? Hij kan toch royaal vergeven en barmhartigheid bewijzen?

Antwoord
Natuurlijk: God is barmhartig en vergevingsgezind. Maar Hij is ook rechtvaardig! Daarom houdt Hij zich aan Zijn Woord: dat elke overtreding straf verdient. Daarom is het eerlijk dat Hij de allergrootste zonde – de majesteitsschennis van Hèm, als Goddelijke Koning – bestraft met de allerzwaarste straf: een eeuwige straf voor lichaam en ziel.

Zondag 3

[ INTRO:
Zondag 2 eindigde met de constatering dat ‘ik een aangeboren neiging heb om God en mijn medemensen te haten.’ Die aangeboren neiging roept meteen vervolgvragen op…]

Vraag 6
Maar als jij met zo’n zondige neiging geboren wordt, is jouw zonde dan niet Gods schuld? Hij heeft je immers zo geschapen?

Antwoord
Nee, absoluut niet! Toen God de mens schiep, schiep Hij ons zeer goed.
Hij schiep ons namelijk naar Zijn beeld.

Dat betekent dat wij volkomen rechtvaardig konden leven, in een leven dat helemaal was toegewijd aan Hem. Wij konden vertrouwelijk met Hem omgaan en Hem liefhebben met ons hele hart. Op deze manier zou ons leven één en al aanbidding zijn voor God, onze Schepper; in een nooit eindigende heerlijkheid.

Vraag 7
Maar hoe komt het dan dat je nu die neiging tot het kwade hebt?

Antwoord
Dat komt door de zondeval in het paradijs: de eerste mensen – onze voorouders Adam en Eva – keerden zich tegen God. Toen is onze goede aard ontaard geworden.
Sindsdien wordt elk mens verwekt en geboren uit zondige ouders.
Daardoor draag ook ik de zonde in mij mee.

Vraag 8
Maar hoe ontaard ben jij dan? Doortrekt die kwade neiging je zó, dat je in Gods oog niets goeds kunt doen, omdat je in alles geneigd bent tot het kwade?

Antwoord
Ja, inderdaad! Maar dat wordt anders, als Zijn Heilige Geest mij door de wedergeboorte tot een nieuw leven opwekt.

Zondag 2

[ INTRO:
Zondag 1 eindigde met de constatering dat levend geloof altijd drie elementen kent:
besef van eigen ellende | zicht op Jezus’ verlossing | toewijding aan een dankbaar leven. Zondag 2 begint daarom met een bezinning op dat besef van ellende.]

Vraag 3
Waardoor besef jij je eigen zonde en ellende?

Antwoord
Dat besef geeft God mij door middel van Zijn wet.

Vraag 4
Wat vraagt God in Zijn wet dan van jou?

Antwoord
Dat leert de Heere Jezus mij, in de samenvatting die Hij ervan geeft:
“Heb de Heere, jouw God, lief,
met heel je hart en met heel je ziel en met heel je verstand.
Dat is het eerste en het voornaamste gebod.

En het tweede gebod is daaraan gelijkwaardig:
Heb je medemensen net zo lief als dat jij jezelf liefhebt.

In deze twee geboden is de hoofdzaak weergegeven
van alles wat er staat in de Wet en de Profeten.” (Mattheüs 22:37-40)

Vraag 5
Maar kun jij je helemaal aan deze geboden houden?

Antwoord
Nee, beslist niet!
Ik heb juist een aangeboren neiging om God en mijn medemensen te haten.

Zondag 1

Vraag 1
Is er iets waar je – in leven en in sterven – blijvend houvast (‘troost’) aan hebt?

Antwoord
Ja, mijn enige houvast is Jezus Christus!
Hij is mijn trouwe Zaligmaker.

Hij heeft met Zijn eigen bloed voor al mijn zonden betaald
en Hij heeft mij uit de macht van de duivel verlost.

Dankzij Hem ben ik niet overgeleverd aan mezelf,
maar mag ik weten dat ik met lichaam en ziel het eigendom van Jezus ben.

Omdat ik van Hem ben, beschermt Hij mij.
Daarom valt er geen haar van mijn hoofd, als mijn hemelse Vader het niet wil.
Hij leidt mijn leven zo, dat uiteindelijk alles meewerkt aan mijn heil.

Daarom geeft Hij mij ook Zijn Heilige Geest:
Die verzekert mij van het eeuwige leven
en Die maakt mij van mij harte bereid om nu en voortaan voor Hem te leven.

Vraag 2
Wat heb je nodig om vanuit dat houvast gelukkig te leven en te sterven?

Antwoord
Daarvoor moet ik drie dingen steeds beseffen:

  1. dat ik berouw heb over mijn zonden en mijn ellende erken
  2. dat ik geloof in Jezus, Die mij van zonde en ellende verlost
  3. hoe ik de Heere voor mijn verlossing dankbaar moet zijn.

De Heidelbergse Catechismus – hertaling © A. Schroten